Friday, March 23, 2007

Deel 8

(deel 8)


De Statendam en de Rotterdam.
Laurel and Hardy. Abbot and Costello. David and Goliath. Heckle and Jeckle. Snip en Snap. The Beauty and the Beast.

De Prinsendam was afgeborreld. Samen waren ze nu nog de twee enige echte HAL schepen. De Veendam en Volendam tellen we niet mee. Dat waren overgestickerde Amerikaanse tobbes, die vreemd genoeg dezelfde exotische rookkanalen hadden als de Rotterdam. De HAL was nu de club met de vreemde rookkanalen.

Samen lagen de Statendam en de Rotterdam elke zaterdag in New York in die zomer van 1980. Behalve een evident verschil in omvang, waren er nog een aantal andere zaken waarin de beide schepen zich duidelijk van elkaar onderscheidden. Deze deden in mij het tamelijk sterke vermoeden rijzen dat wij duidelijk gezien werden als het debiele nichtje, of althans een tamelijk impopulair lid van de familie.

De mooiste meisjes op de kaai gingen altijd aan boord van de Rotterdam, evenals de grootste stapel reserve onderdelen. De hoogste waterdruk op de drinkwater suppletieleiding van kaai naar schip, stond altijd op de slangen van de Rotterdam. Kantoorhotemetoten en gekroonde hoofden gingen altijd aan boord van de Rotterdam. Toch mocht dit bij ons op de Statendam de pret niet drukken, want wij hadden iets wat zij niet hadden. Wij hadden lol.

Laten we beginnen met de officierenbar. Nog buiten een spectaculair uitzicht en A1 locatie, was er door bevlogen feestneuzen voor mijn tijd nog een belangrijke architectonische managementbeslissing genomen. De aparte eetruimte officieren, die op de Rotterdam nog steeds bestond, was opgeheven op de Statendam en integraal ingelijfd bij de officieren bar. Hierdoor ontstond een ruimte die prima geschikt was voor het geven van wilde feesten en menige gelegenheid werd aangegrepen als reden voor feest.


Regelmatig werden gevarieerde zeemansliederen aangeheven in de OB

Vlnr. Hans Bloks, dame, Roel Balvracht, Appie Schoonderbeek, Zombie, Klaas Oreel, Willem (2estuurman)Willem de Vries,Lenze Vondeling (Bakema), Barry van Nunen

De aflossing die na 5 maanden van boord ging gaf standaard feest. Uitgelezen gelegenheden zoals het trouwen van Charles en Diane was voor het Engelse contingent (o.a. de dames en heren van Ocean Trading) reden tot groot feest. St Patrick’s Day, Valentines Day, 4th of July, Halloween waren reden tot feest. Bevorderingen waren reden tot feest. Gezamenlijke verjaardagen, verjaardagen van leden van het koningshuis (van verscheidene landen) waren reden tot feest; soms was zelfs de zonsondergang reden tot feest.

Om mijn karige inkomen also stagaire aan te vullen, ontdekte ik dat ik mijn tekentalent ten gelde (of ten dranke) kon maken door het vervaardigen van aankondigings posters voor de feesten.

Naast deze geweldige locatie, was er ook een geweldige crew. De black-outs die het schip met grote regelmaat teisterden, waren de oorzaak van een geweldige cohesie en samenwerking tussen dek, machine en hoteldienst. Niet lullen maar poetsen. Op een of andere manier wist de hoteldienst altijd het bier koud te houden tijdens een black-out, en heel af en toe werd er zelfs wel eens een verdwaalde stuurman (zoals Leo van Lanschot Hubrecht) in de machinekamer gesignaleerd. Het was dus duidelijk, de salonofficieren zaten op de Rotterdam, de echte kerels op de Statendam.

Tijdens een feestje in de OB verscheen de machinedienst in gepaste kleding. De auteur met Carmen Rupe, zangeres in de Broadway show

Eufemistisch gesproken hing er dus een licht competitieve atmosfeer tussen de twee schepen, en zo deed ik op zeker moment in New York een belangrijke ontdekking. Er was een directe verhouding tussen het aantal slagen dat ik de walsuppletie van drinkwater naar de Rotterdam kneep, en de toename van druk op de waterslangen naar de Statendam. Ik was net bezig een emperisch nulpunt te bepalen door de suppletie naar de Rotterdam maar helemaal dicht te draaien, toen een wtk van dit schip af kwam gesneld, in spierwitte overall, om te zien waarom zijn waterslangen erbij hingen als dooie kamerplanten. Nadat er enige onvriendelijkheden over en weer waren uitgewisseld, waarbij er voornamelijk werd getwijfeld aan de grote van het IQ van de tegenpartij, merkte hij nog op. “En ik snap ook niet dat jullie in die smerige overalls de wal op mogen......” . Hij wist kennelijk niet dat dit mijn schoonste overall was, maar dat de wasserij van de Statendam, de ongelijke strijd met de bilge van de machinekamer al lang geleden had opgegeven.

Er diende zich echter een gelegenheid aan om op sportieve wijze de de zaken recht te zetten. De strijd om de Presidents Cup. De Presidents Cup bestond uit een wanstaltig grote trofee die al jarenlang pontificaal in de officierenbar van de Rotterdam stond opgesteld en werd uitgereikt aan het schip met het beste voetbalteam. Om een of andere duistere reden was dit dus het team van de Rotterdam, maar er was de Statendam veel aan gelegen deze, in onze ogen belachelijke, hegonomie te doorbreken.

Mike Melis was 3e wtk, en sprak met een accent dat deed vermoeden dat hij zijn stamboom moeiteloos terug kon traceren tot en met de Graven van Holland. Nog buiten het feit dat de beoefening van het edele vak van wtk aan boord van de Statendam dus enigszins “out of character” voor hem was, had hij nog een andere onverwachte hobby, hij was een bijzonder goede voetballer.

Mike was dus de gedoodverfde animator en aanvoerder van het team dat voorbestemd was, het voetbalteam van de Rotterdam naar de slachtbank te leiden. Na enige communicatie tussen de beide schepen werd besloten de match op Bermuda te houden, als beide schepen daar samen lagen. De Statendam voor de kant in Hamilton, de Rotterdam buitengaats met tenders. De datum werd geprikt op 23 October 1980.

Al snel begonnen de audities. Aangezien ik uit Amsterdam kwam en een persoonlijke vriend was van Johan Cruyff, Piet Keizer en Sjaak Swart (net zoals alle andere Amsterdammers) was mijn plaats dus zeker. Ook de normaal gesproken lethargische Frank de Vries kwam met een onvermoedde sportieve ambitie voor de dag. “Voetballen kan ik niet, maar als ik een van die lui van de Rotterdam voor hun poten kan trappen, zal ik het niet nalaten”. Alleen al op de kracht van deze kernachtige uitspraak werd hij opgesteld als “laatste man”.

Verder werden er nog enige leden van de cruisestaff aangetrokken als speler , zoals Rick de DJ. Hij kon geen bal recht vooruit trappen maar kon wel zorgen dat voor cheerleaders en fans. Ook had hij handboeien aan zijn bed hangen, maar dat is weer een ander verhaal. Ondertussen knoopte Mike zelf bijzonder innige romantische banden aan met een van de verpleegsters aan boord. Ongetwijfeld met als doel de medische zorg voor de spelers te waarborgen.

De week voor de titanenstrijd zat ik samen met twee teamgenoten, Hans van Boven en Zombie aan de bar nog enige tactische spelpatronen door te nemen op de achterkant van bierviltjes. Deze bierviltjes bevonden zich aan de onderkant van gevulde glazen, die ons door Jan de barkeeper ter beschikking werden gesteld. De glazen moesten dus eerst leeggemaakt worden om het schrijfoppervlak van de viltjes ten volle te kunnen benutten en er waren uiteraard meerdere bierviltjes nodig om een groot genoeg schrijfoppervlak te creëren. Zo kon het dus gebeuren, dat naast enige exotische spelpatronen zich ook de volgende conversatie ontwikkelde.....

“Waar staattie cup eigelijk presies?”, vroeg ik. “Opun stjandaard inde officierenbar van de Rotterdam” was het antwoord van Hans van Boven. “Volgus mij zjittie vast met een grotuh ketting,” voegde Zombie met grote zekerheid toe, “Jan doenog een rondjuh hier”.

“Tzou mooi zijn aswe die cup zaterdag in Nuw Yorruk al uit hun OB kunne halen, dat schjeelt hunnie de moeite om hem volgende week helemaal mee te neemuh naarut veld”, opperde ik.

“Damoettedoenzijn” , stelde Zombie kordaat vast,” kejij deweg op d’Rotterdam?. “Ik ben wellun paar keer inhun OB geweest daar”, sprak van Boven..

Gaandeweg werd er een stoutmoedig plan geboren. De aankomende zaterdag in New York , zouden Hans van Boven en ik, gekleed in onze meest witte overalls, aan boord gaan van de Rotterdam en trachten de felbegeerde cup te bemachtigen.

De volgende dag had het plan nog steeds waarde maar er moesten nog wel enige practische zaken aangepakt worden zoals het verwijderen van de ketting die in onze verbeelding nu monsterachtige vormen had aangenomen. Gelukkig had Zombie inmiddels een Jumbo size betonschaar weten te bemachtigen, en zo kon het gebeuren dat die volgende zaterdag ochtend om 09.00 am, er twee witte gestalten zich op kaai schielijk van de Statendam naar de Rotterdam begaven. Een van die gestalten droeg in zijn handen een kleed, waaronder vandaan de oplettende kijker twee rode ijzeren staven met handvaten zou kunnen ontwaren, die met enige fantasie weleens bij een oversized betonschaar zouden kunnen horen. Op de Rotterdam aangekomen kwamen de gestalten, waarin dezelfde oplettende waarnemer waarschijnlijk de personen van assistent wtk Hans van Boven en stagaire wtk Leo Lui zou herkennen, uiteindelijk terecht in de OB, die op dit moment van de morgen nog maagdelijk leeg was, op de barkeeper Herman na, die zijn voorraden stond aan te vullen.

“Verrek, er zit helemaal geen ketting aan”, ontdekte ik, “maar hij zit vastgeschroefd”. “Herman, heb jij een schroevendraaier?”, informeerde Hans bij de barkeeper, die kennelijk een bekende van hem was. Behulpzaam voorzag Herman ons van het gevraagde stuk gereedschap. “Snel gooi die deken erover, dan kunnen we pleite”. En op deze onceremonieele wijze verdween de felbegeerde cup op die bewuste ochtend uit de officierenbar van de Rotterdam.

Bij vertrek New York om 17.00 was het gebruikelijk dat de Rotterdam het eerst vertrok. Eerst achteruit de Hudson rivier op en daarna stuurboord uit, richting Atlantic. Door deze manouvre hadden de aanwezigen van de OB op de Rotterdam even een goed uitzicht op het dek buiten de officierenbar van de Statendam. Op dit dek nu stond een uitgelaten groepje wtk’s te zwaaien met met een soort vergulde paddestoel op pootjes; de Presidents Cup.

Op het dek buiten de OB werd de cup nog even geshowd aan de passerende Rotterdam

Vlnr. De auteur, Piet de Jong (2e elec), Hans van Boven, Ruud (Zombie) Schippers

Klaarblijkelijk bleek echter niet iedereen de humor van de ontvoering in te zien want binnen enkele uren kwam er een bericht van kapitein Hoenderdos van de Rotterdam, gericht aan de officieren van de Statendam. “Zorg dat die cup terug komt aan boord van de Rotterdam, anders is er geen wedstrijd”.

Als compromis werd besloten dat, aangekomen in Bermuda, de cup eerst met een tender van de Statendam naar de Rotterdam gebracht moest worden, zodat het team van de Rotterdam de cup pontificaal het veld mee op kon nemen.

De confrontatie was gepland op het voetbalterrein van de lokale brandweer en er was zelfs een plaatselijke scheidsrechter geregeld. Toen deze man echter het veld inspecteerde viel het hem op dat er geen doelpalen stonden. De twee atletisch dubbelgespierde, super gemotiveerde teams in ogenschouw nemend, vreesde de goede man hierdoor ongeregeldheden en maakte rechtomkeerd. Na enig onderling overleg werd nu besloten dat beide schepen voor één helft de scheidrechter zouden leveren, Peter Schijvens voor de Rotterdam en Bill Long, de sanitation officer, voor de Statendam. Het feit dat Bill niets van voetbal afwist, was in onze ogen niet relevant. Zolang hij maar besefte aan welke kant zijn broodje beboterd was.

Getergd begon dus het team van de Statendam aan de match, en of het nu door de tactiek op de bierviltjes kwam of door het verzameld voetbaltechnisch vernuft, de Rotterdam werd reeds in de eerste helft verpletterd met 3-1. In de tweede helft werd niet meer gescoord wegens gebrek aan conditie aan beide zijden. Het enige tegendoelpunt van de Rotterdam werd gescoord door Johan Bakker, de enige van de tegenpartij niet gespeend van enig voetbaltalent. Ook vermeldenswaardig is dat Frank de Heer, die het doel van het Rotterdam team verdedigde, waarschijnlijk ook op zijn eigen bescheiden wijze bijdroeg aan het positieve resultaat voor de Statendammers.

De gladiatoren in de OB na het veroveren van de Presidents Cup

Achterste rij vlnr. Ruud (Zombie) Schippers, Hennie Vrielink, Gerrit Toes, Bill Long, Hanno van der Elst, Wietse Gjaltema

Midden met cup: Richard Hunt, Mike Melis

Voorste rij: George Kowalski, Leo Lui, Hans van Boven, Sjaak Suurmond (niet afgebeeld: Frank de Vries)

Uiteraard was dit reden voor uitzinnige vreugde. Gelukkig was het team van de Rotterdam sportief genoeg een uitnodiging te aanvaarden om de bijzetting van de cup in de OB van de Statendam te vieren en zo bleef het nog land onrustig in Hamilton.

Mike Melis schreef een fraai editorial stukje voor de Holland America Line Presidents Newsletter en de cup heeft nog jarenlang trouwe dienst gedaan als asbak in de OB.

2 comments:

Paul said...

Hey lorrebaal... ik will de helft van he profijt hebben (en m'n radio terug) heh, heh, - did is Paul - stuur eens 'n berichtje --- Dutchessc22@netscape.net

Huub Oosterwijk said...

Hi Leo,
Heb de blog van Ton rooijmans gekregen. Met ontzettend veel plezier dit gehele stuk proza gelezen, wat toch een hoop herrinneringen teruggehaald heeft.
Huub Oosterwijk